Henk Witjes

"Het is heerlijk te spelen met woorden en zinsritmes."

DE IDEALISTEN - LEESFRAGMENT

Valentino studeert sociologie met als specialisme godsdienstfilosofie. In één van de colleges werd er aandacht besteed aan de atheïst Tony Parsons. In dat college kwam zijn boekwerk “As it is, dialogues on The Open Secret” aan de orde. 
Zinsneden en frases spoken door zijn hoofd. “De menselijke geest is niet meer dan een verzameling gedachten.” Waar zitten dan de gedachten van zijn vader? Parsons beweert dat Christus heeft gezegd, dat het leven zelf de leraar is, het leven de uitnodiging vormt om alles 180 graden te draaien. Is hij daarom vertrokken, zonder een spoor na te laten? Zocht hij het daarom ook bij andere vrouwen? Een goedkope smoes. 
Valentino kan één zinsnede, die hij heeft gelezen niet loslaten. “Het enige dat je kunt doen, is ontdekken dat er niets te doen valt.” 
Grimmige gedachten wellen bij hem op. Zie je wel. Die Van Veen trekt de verkeerde conclusies. We moeten juist alles laten zoals het gebeurt. Alles wat is ontstaan, kunnen we in stand houden en een stevigere basis geven. Ieder moet werken en vechten voor zijn geld. Alles wat is ontdekt en uitgevonden, dient om de welvaart in stand te houden en om de ontstane mechanismes door te trekken of te versterken. 
De werkelijke macht is het grote geld, dat moeten we koesteren en iedereen die daar niet in mee wil, gaat maar apart in een of ander onderontwikkeld land wonen, dan verstoren ze de ontwikkeling niet. Hij gelooft niet in die onzin over Jezus Christus, die volgens Parsons zegt, dat het leven zelf de leraar is, de uitnodiging vormt. Naar zijn zeggen bedoelt Christus met berouw, dat je op de uitnodiging ingaat en het leven 180 graden probeert te draaien. Alles opnieuw bekijken. Ons hele luxe bestaan gaat zo naar de Filistijnen. 
Je ziet wat er van komt, als je zijn pa zijn gang laat gaan, losse flodders, het nodigt je uit om de verkeerde dingen te doen. Wat komt er terecht van die ongrijpbare idealismen van Van Veen. 
Die vent moet gestopt worden. 

Reviews De idealisten van lezers.

Spannend verhaal met optimistische boodschap. 
Rob Hoppenbrouwers, 40-49 jaar, Bergen op Zoom. 
Een spannende page turner, waarin de schrijver de mens in de extremist laat zien. Prachtig verwoord in korte hoofdstukken, mooie zinnen en veel spanning. Een optimistisch verhaal van een schrijver met veel talent. Ik kijk uit naar het volgende boek.

Nieuwsgierig.  
Cees Matthijssen, 70 +, Halsteren. 
Mooie verhaallijn, compleet eigentijds, met onvoorspelbaar einde. In 2 etappes het boek verslonden. Ideaal boek!

Fantastisch boek! 
Remco Blom, 40-49, Dinteloord. 
In een ruk uitgelezen. Prettige schrijfstijl en zet aan tot denken.

Verrassende roman van Henk Witjes.
Josephus Wit, 60-69, Geldermalsen. 
Wat een bijzondere roman. Knap hoe de schrijver een spannend verhaal weet te combineren met diepgang. Zijn opvattingen over terrorisme, extreme ideologie en en persoonlijke onzekerheid weet hij op een magistrale manier met elkaar te verweven in een roman die leest als een trein. Ik kon het boek maar moeilijk wegleggen. Ik hoop dat we meer horen van deze auteur.
Terug naar thuispagina of publicaties

TOMELOZE VERWARRING - LEESFRAGMENT

Hoe lang hebben ze onbewogen tegenover elkaar gestaan? Hugo is als eerste terug in de realiteit. Ze is wat dikker geworden in haar gezicht, maar haar lichaam is nog goed in balans. Nog steeds dat prachtige gezicht met die ontwapende ogen. Hij kan nog niet meer uitbrengen dan dat ene woord Paulien. ‘Hugo?’ klinkt het bedremmeld. Ook zij blijft hem sprakeloos aanstaren. Beiden zoeken naar woorden om de rusteloze stilte te doorbreken. De hormonale huishouding van hun lichamen is danig in beroering. Hugo komt langzaam terug bij zijn positieven en weet niet goed of hij haar een hand of een kus moet geven. ‘Is Jack thuis?’ is het enige wat hij kan uitbrengen. Hij voelt zich als een verlegen kind, dat voor het eerst een schoolvriendje ophaalt om te gaan spelen. ‘Jack werd een kwartiertje geleden opgeroepen voor een klus buiten de deur,’  antwoordt ze onhandig. ’Hugo ziet tot zijn verbazing een brede lach op het gezicht van Paulien, die onmiddellijk verstart tot een geforceerde grimas.  ‘Hoe ben jij hier in godsnaam verzeild geraakt?’ Het klinkt overdreven enthousiast. Tot zijn eigen verbazing hoort Hugo zich zijn hele verhaal opbiechten. Op een welhaast verontschuldigende toon hoort hij het door hem vertelde verhaal  van de tentoonstelling en zijn onverwachte ontmoeting op de beurs. Het lijkt of hij naast zijn lichaam staat mee te luisteren. Hij weet niet goed wat hij moet voelen bij het onverwacht treffen. Nog niet zo lang geleden realiseerde hij zich dat hij het leuk zou vinden Paulien weer eens terug te zien. Nu het moment er is, is hij danig van slag. Hij valt even stil. Dan maakt hij bijna schuchter aan haar duidelijk dat Jack hem voor vanavond in zijn appartement heeft uitgenodigd. Paulien weet niet goed of ze Hugo nu moet binnenlaten. Op goed geluk pakt ze de draad van het gesprek weer op. ‘Je weet, hoe Jack is, zo maakt hij een afspraak en een kwartier later is hij alweer met iets anders bezig.’ ‘Ja,’ beaamt Hugo plichtmatig. ‘Ik denk niet, dat Jack snel terug zal zijn. Meestal is hij voor uren gevlogen. Maar wil je niet even binnen komen?’ Hugo is nog helemaal lamgeslagen, maar opgelucht dat de impasse even verbroken is. Pauline en Jack. Dit had hij nooit kunnen denken. ‘Die twee passen niet bij elkaar.’ Is het eerste dat bij hem binnenkomt. Hij betrapt zich erop dat hij een grote verontwaardiging voelt. Het brengt hem in verwarring. Tot zijn schrik bemerkt hij, dat de vraag van Paulien niet bij hem  is binnengedrongen. Ergens voelt hij dat zijn verontwaardiging niet terecht is, hij heeft tenslotte de beslissing genomen om Paulien  op een vrij rechtstreekse manier aan de kant te zetten. Maar Paulien verdient een onbehouwen Jack toch niet? ‘Excuus, ik was er even niet bij. Ik ben nogal verrast jou hier aan te treffen, terwijl ik Jack verwachtte.’ Er ontstaat opnieuw een geforceerde glimlach op haar gezicht . ‘Ik snap het. Kom binnen.’ Hugo volgt haar. Hij wil met zijn jas aan de kamer in gaan.  ‘Wil je je jas niet ophangen?  vraagt Paulien opgelaten. Het voelt voor Hugo, alsof elke beweging van hem geanalyseerd wordt. Hij kan niet bevatten wat er gebeurt en voelt dat er plotseling een schuldgevoel knaagt aan zijn weerloze gemoed. Het is nog enger als die eerste ontmoeting in de kroeg. Wilde gedachten proberen het laatste restje stabiliteit onderuit te halen. ‘Hoeveel pijn heb ik haar aangedaan, toen ik het op een onbehouwen manier uitmaakte? Hoe lang heeft ze erover gedaan van de schrik te bekomen? Annelie kwam wel heel snel voor haar in de plaats. Wat heeft ze daarvan meegekregen? Voelde ze zich afgedankt en denkt ze misschien, dat ik Annelie al eerder had ontmoet?’ Hugo voelt een sterke prikkel opkomen, die hem zegt, zich te beheersen. Afwachten. Dit woord probeert een fundament te leggen onder zijn afbrokkelend zelfvertrouwen. ‘Natuurlijk. Dank je wel.’ 

Een artikel over Tomeloze verwarring.  (Boz in beeld, 12 november 2018).

Schrijven  is een uitdaging aan je eigen fantasie. 

Al snel nadat mijn eerste roman ‘De idealisten’ was uitgekomen, werd mij regelmatig dezelfde vraag gesteld. ‘Ga je verder met schrijven of blijft het bij een roman?’ Mijn antwoord luidde toen: ‘Ik ben al bezig met een tweede!’ Het is voor mij telkens weer een geweldige ervaring  mijn eigen fantasiewereld te verkennen. Uiteraard geïnspireerd door het dagelijks gebeuren en de ervaringen die ik in mijn leven heb opgedaan. De grondgedachte bij ‘De Idealisten’ is: Iedereen die geboren wordt, wil iets. Iedereen heeft idealen. Wij zijn als mensen gelijk, dus je hoeft niet te zoeken naar iets, wat er al is. Je bent thuis. Door ervaringen, opvoeding, trauma’s kunnen die idealen op verschillende manieren tot uitdrukking komen en in alle hevigheid botsen. Leiden tot extreem gedrag of tot grenzeloze positiviteit. De drijfveer voor mijn tweede roman ‘Tomeloze verwarring’ is mijn eigen generatie. Hoeveel mensen van mijn leeftijd worden vriendelijk bedankt voor bewezen diensten en gaan vervroegd met pensioen? Wat gebeurt er dan met die mensen? Trekt het leven aan ze voorbij? Vallen ze in een zwart gat of ontwikkelen ze schuldgevoelens over daden die ze in het verleden hebben uitgevoerd? Keizer Aurelius zei daarover: ‘Bedenk, dat het niet de omstandigheden zijn die uw geest in beslag nemen. Het is alleen onze denkwijze erover die verwarring brengt.’

Kortom tomeloze verwarring. 

Dit gegeven heb ik proberen te verpakken in een makkelijk te lezen verhaal met beeldende taal, waarin beklemmende spanning hand in hand kan gaan met relativerende humor. Wat gebeurt er met je als je een oude kameraad tegen het lijf loopt en die op mysterieuze wijze verdwijnt? Als je plots oog in oog staat met een oude liefde? Fictie kan de harde realiteit van onze maatschappij aan de kaak stellen. In dit boek verplaatst het verhaal zich van Bergen op Zoom, via Rotterdam naar Groningen. De emotie van de aardbevingen is bij een van de hoofdpersonen duidelijk waar te nemen en mondt uit in schrijnende daden. Leuk om te horen dat mensen het boek in een adem hebben uit gelezen. Dit is de mooiste beloning die je kunt krijgen na een opwindende zoektocht naar een verhaal wat er toe doet.   

Het boek ‘Tomeloze verwarring’ van Henk Witjes is te bestellen bij de meeste boekhandels in Nederland en Vlaanderen.

Terug naar thuispagina of publicaties

KRUIEND IJS - LEESFRAGMENT

De droge koude Oostenwind heeft de zilte atmosfeer van de Oosterschelde ver teruggedrongen. De koude föhn laat het zout in de wierige lucht vervliegen en teistert bij veel mensen de gesprongen lippen. Ik ben zes jaar oud. Ik hoor mijn moeder klagen. ’Er valt niet tegenop te smeren. De kloven op mijn lippen trekken in enkele tellen weer droog.’ Mijn fantasieën wervelen oncontroleerbaar door mijn hoofd. In gedachten zie ik ijsmonsters met pegelige nagels de kloven open rijten bij de bibberende wandelaars, die die zondagmiddag op de dijk lopen. In de volksmond ‘de kop van ’t Hoofd’ genoemd. IJsschotsen worden de dijk opgedreven door de sterke Oosterschelde stroming. Zij stapelen zich als grillige flatgebouwen op. Met ontzag kijk ik op tegen de gestapelde muur van ijs. Achter die dreigende muur van ijs dansen de schotsen op de deining van het zilte water alsof ze willen uitdagen. Het lijkt dat ze me toe roepen. ’Eens kijken of jullie dijken bestand zijn tegen onze ijskoude krachten.’ Ik zie in elke ijsschots een gezicht. Smalende blikken van priemende ogen bezorgen me nog meer rillingen. Voel ik de dijk onder mijn voeten trillen? De populaire dijk in conflict met de ijzige natuur. Uit alle macht biedt de waterkering weerstand aan het koud kristallen massief. Diezelfde ijsmonsters zetten in mijn zoveelste projectie hun krakende handen onder de voet van de dijk. Ik verwacht dat die glazige gedrochten elk moment de dijk zullen doen kantelen. Met knikkende knieën en trillende bovenbeenspieren balanceer ik over het knoestige basalt en scheer af en toe vervaarlijk langs de ronde houten paaltjes. Als in een visioen zie ik de ijsmassa zich al schurend door het ontstane gat in de dijk wringen. Het land achter de dijk rimpelt op. Het doet mij denken aan het tafelkleed dat rollende glooiingen vertoont, als mijn vader met een zucht de zware naaimachine voor mijn moeder op de grote tafel schuift. Ik zie, lopend in de striemende winterkou in mijn gloeiende fantasie, de plooiende landgolven gevaarlijk het centrum van de stad naderen. 

Een stevige hand doet me ontwaken uit mijn droom. Ik kijk geschrokken in het gezicht van mijn vader. ‘Ik weet niet wat jij allemaal loopt te dromen. Ik heb je al vier keer geroepen. Niet zo dicht langs die paaltjes lopen. Straks glijd je uit en schiet je het water in onder die ijsschotsen. Kom bij ons lopen boven op de dijk.’ 

Eind jaren vijftig van de vorige eeuw. Een mooie zonnige, ijzige zondagmiddag. Veel ouders maken met hun dartele kroost een middagwandeling. Het was bij veel gezinnen in die tijd een vaste gewoonte om te gaan kuieren. Een algemeen begrip voor het maken van een stevige wandeling op de dag des Heren. Het toen nog stevige katholieke bolwerk bracht de mensen in de ochtenduren in een devote stemming. Na de mis ging het hele gezin op de koffie bij opa en oma of oudtante om na een stevig bord soep in de vroege middag, de kuierlatten aan te binden. Als we dan aan pa en moe vroegen waar we naar toe gingen, was steevast het antwoord: ‘Ons neus achterna.’  

Recensie – Kruiend IJs door Sylvia van Gimst

Verhalen met een hoog huiskamergevoel   
In de verhalenbundel Kruiend IJs neemt auteur Henk Witjes de lezer mee op een bijzondere reis die je met een warm ‘huiskamergevoel’ achterlaat. De verhalen zijn ontzettend gevarieerd waarbij soms melancholie de boventoon voert en soms humor. Bij een ander is die boventoon bewustwording maar ook een maatschappelijk kritische toon schuwt Henk Witjes niet. Verhalen uit ‘de oude doos’ passeren de revue en dan word je als lezer weer verrast door een verhaal waarbij je totaal op het verkeerde been gezet wordt.     

Geen labeltje 
Kruiend is niet goed te duiden maar ach, wie zit er op een labeltje wachten, nietwaar? De schrijfstijl mag van tijd tot tijd poëtisch genoemd worden, soms zelfs literair maar soms ook ‘gewoon’ rechttoe rechtaan. Wellicht is het tijdens het eerste verhaal even doorbijten maar als de schrijfstijl van Henk Witjes eenmaal is ingedaald lees je de bundel in één ruk uit. Er is niet echt een rode draad in deze bundel te bespeuren maar het eerste en het laatste verhaal zijn duidelijk de kop en kont van het geheel.     

Een goede dosis kippenvel 
Waar haalt Henk toch zijn inspiratie vandaan? In deze bundel is hij werkelijk van alle markten thuis. De onderwerpen vliegen alle kanten uit maar de verhalen hebben wel degelijk vaak een boodschap. Henk Witjes schrijft niet op een belerende toon maar meer op een waarbij de lezer welwillend knikkend en ook grinnikend in zijn stoel zit. Ook de verhalen waarbij er een brok weggeslikt moet worden mogen er zijn. Die verhalen zijn herkenbaar en raken een gevoelige snaar. Zoals het prachtige Franzl waarbij een goede dosis kippenvel tot stand komt en ook Doe maar normaal doet vast en zeker stof opwaaien. Hier en daar steken ook een aantal wijsneuzerige verhalen de kop op, heerlijk gewoonweg.     

Vreemde eend in de bijt 
Kortom, Kruiend IJs valt lastig te duiden maar dat is dan ook de charme van dit boek. Een aantal steekwoorden die als vanzelf opkomen zijn, humoristisch, gevat, aandoenlijk en melancholisch. Verhalen uit de oude doos, hier en daar een vreemde eend in de bijt, kritisch en laat je met een warm gevoel achter. 

Terug naar thuispagina of publicaties

HET ONTKENDE PRINCIPE - LEESFRAGMENT

Even later gaat zijn mobiel weer over. 
‘Over twee minuten staan we voor de deur. Zorg dat je klaar staat.’ Hij krijgt niet de kans iets te zeggen. De verbinding wordt direct opgeheven. 
Goliath verwacht dat het er niet bepaald vrolijk aan toe zal gaan. Gelukkig weet hij zich verzekerd van genoeg beveiligingsmensen om zich heen. 
Even later stuift er een grote Landrover Discovery  de oprijlaan op. Het gevaarte houdt stil onder enkele bomen, zodat de auto vanaf de weg redelijk uit het zicht staat. Portieren klappen dicht en rennende voetstappen zijn te horen op de houten veranda. Goliath opent de deur. Het gezelschap valt binnen. Goliath wordt door een viertal handen opgepakt en naar de woonkamer gesleurd. Ramen worden geblindeerd en Goliath wordt op een stoel gezet. Goliath is goed geïnstrueerd door Douglas. Hij blijft als een bang vogeltje op zijn stoel zitten en wacht af. 
Een forse man met doordringende blauwe ogen kijkt hem aan en vertoont een brede grijns op zijn gezicht. ‘Meneer Severeijnen. Bedankt voor dit hartelijke welkom.’ Voegt hij er smalend aan toe. Hij richt zich tot de andere mannen. ‘Doorzoek het hele huis. Ik wil geen kapers op de kust.’ Goliath slaat de schrik nu echt om het hart. Waar zouden de mannen van Douglas zitten? Als het tot een confrontatie komt, valt het hele plan in duigen. Het gesprek moet opgenomen worden. Na een kleine minuut melden de mannen zich. Niemand in het huis ontdekt. Goliath voelt zich niet echt veilig meer. Doe wat we afgesproken hebben. Hij denkt aan een van de laatste zinnen van Douglas. 
'Al zal het straks misschien anders lijken, wij zijn dicht in de buurt.’ Goliath houdt zich hier maar aan vast. 'Meneer Severeijnen. U heeft morgen een afspraak met de minister om 11.30 u, is het niet?’ 
Goliath is ingeprent zo weinig mogelijk woorden te gebruiken. Hij moet ze wel duidelijk uitspreken. 
‘Dat klopt.’ 
De man knikt goedkeurend. 
‘Nu wil ik het volgende van u weten. Heb ik het bij het juiste eind, dat u nooit gefouilleerd wordt bij binnenkomst?’ 
‘Inderdaad.’ 
De man vervolgt zijn vragenlijst. ‘Draagt u altijd een kostuum als u zich daar meldt?’ 
‘Ja.’ 
De leider van het stel lacht. ‘U bent een man van weinig woorden. Dat komt goed uit. U zult morgen niet veel woorden nodig hebben. Zodra u binnen bent bij de minister, zorgt u dat uw bomgordel ontploft. De bomgordel is niet te zien onder het jasje van uw kostuum.’ 
De rillingen lopen Goliath over de rug. 
‘Afgesproken?’  Vraagt de man afgemeten. 
‘Ik heb weinig keuze, denk ik.’ 
‘Zo mag ik het horen. Goed.  Over tot de instructie! Er blijft vandaag en vannacht een van onze mensen in dit huis. Morgen rijdt hij met u mee. Bij de ingang stapt onze medewerker uit en mag u het werk voltooien. Een persoonlijk assistent van de minister binnen het gebouw volgt uw stappen. U begrijpt dat hij met ons sympathiseert. Hij is bereid mee de lucht in te vliegen. Sympathieke man, vindt u niet?’ 
Er klinkt getik op het raam. 
De man richt zich onmiddellijk tot een van zijn assistenten. ‘John, ga kijken. Brad heeft onraad geroken.’ John aarzelt. ‘Hij zou drie tikken op het raam geven bij onraad, baas.’ Zijn ondervrager haalt zijn schouders op. ‘Dat zal die sukkel wel weer verkeerd begrepen hebben.’ John loopt naar de voordeur en verdwijnt. Goliaths hartslag gaat omhoog. Is dit een onderdeel van de strategie van Douglas? 
Na een halve minuut nog geen John terug. 
Dan ontstaat er een tumult dat Goliath nooit zal kunnen  reconstrueren. Binnen een mum van tijd staan er vijf mannen van Douglas in de kamer. De ruit van de achterkamer is gesneuveld, de voordeur is geforceerd en alle mannen zijn binnen de kortste keren overmeesterd. 
Douglas staat breed lachend voor hem. ‘Excuses voor de slordige binnenkomst. Het was even nodig.’ Goliath is nog niet van de schrik bekomen. Hij kan nog geen woord uitbrengen. 
Douglas gebiedt een van zijn medewerkers een glas water te halen voor Goliath. Even later is Goliath terug op aarde beland. Douglas kijkt hem tevreden aan. ‘Ik zie, dat u zich weer herpakt heeft. Mooi zo. Zoals u ziet is alles onder controle. Het bewijsmateriaal is verzameld. De heren gaan gezellig met ons mee.’ Goliath richt zich tot Douglas. ‘Ik schrok me dood toen ik hoorde, dat  ze het huis gingen doorzoeken.’ Douglas grinnikt. ‘Dat hadden wij voorzien, meneer Severeijnen. We hadden ook gerekend op een mannetje buiten. Die hebben we eerst onschadelijk gemaakt. Toen een tikkie tegen het raam. Tweede man uitgeschakeld. Daarna was het nog een koud kunstje.’ 
Douglas mobiel gaat over. Hij neemt op en luistert aandachtig. Zijn gezicht klaart op. 
‘Alles onder controle. Opdrachtgevers ingerekend. Missie geslaagd. Het land is weer veilig.  Kunnen we de pers er buiten houden voorlopig. De leiding van het bedrijf is ingerekend. Een faillissement wordt in scene gezet.’     

Terug naar thuispagina of publicaties

EI! GADE MEE DWEILE? - LEESFRAGMENT

3. Joefoo   

Me schrijve tweeduuzend één en twinteg. Keronajaar. Jowannekes ouwers adde n’m nog mar late slape, toen ze n’m in z’n bedje vonne mè z’n truike en da rare bul over z’n piejama één. Eve dèèrnaar schrok t’ie wakker en zag dattie d’n alleve mantel van Wana nog aan ad. ‘Jekus van merante’, docht ie, ‘as m’n vader en moeder ’t mar nie gezien ebbe.’ Mar z’n oop bleek ijdel. IJ zat nog nie aan z’n botter’ammeke of z’n vader keek t’m aan en vroog: ‘Wa d’adde nou voor ’n bul aan, Kul? Me zage n’oe legge snurreke mè d’oew truike n’over oew pieseman aan en één of ander bul om oew schouwers.’ 
’t Bleef akelek stil. As z’n opa d’r bij ad gezete, attie gezeed: ‘ ’t Is stil as’t nie waait.’ 
Jowanneke z’n arses draaide n’op volle toere. 
‘Nou kek, ik dròòmde n’over Wana. Da’k achter op de bezemsteel zat en me vloge nar ’t Slikpeleis.’ D’r viel weer zo’n ongemakkeleke stilte.  
Onbewust ielp z’n vader ‘m uit de brand. ‘Zijde ’t slaapwandele gewist, kul?’ Jowanneke dee net of t’ie d’r nog nooit van g’oord ad. 
‘Wa d’is da?’ ‘Nou,’zee z’n pa geduldeg. ‘Dan gade wandele n’en onderwijl slapte nog.’ 
Jowanneke, die ’t op da mement nie brééd ad, aakte dèèr vliegesvlug op in. ’Dan dee ik da!’ En ij trok ’n smoel as ’n stééne bisschop.’ Mar ij ad buite de waard gerekend. 
‘Waar kom da bul nou vandaan?’ ‘Die eb ik uit de gròòte kist op zolder.’ Z’n vader keek t’m aan asof t’ie snééuw in de zomer zag valle. ‘Gij wul toch nie zegge, dagg’in oew slaap naar ’t zolder zijt gelòòpe n’ee?’ Jowanneke ad z’n antwoord al klaar. ‘Neeje, twee dage geleeje ek nog as Wana mette bezemsteel tusse m’n bééne deur de kamer gelòòpe. Dèèrnaar ebbik da bul onder m’n bed geleed.’ Z’n vader leg z’n gròòt and op z’n bolleke. ‘Ik wit dagge gek zijt van vastenavend. Mar agge d’r zukke dròòme van kreg, worde nie uitgerust wakker! Ik snap ’t wel, ’t is een féést waarmee we n’t leve viere…. ’ 
Entoezjast onderbrik Jowanneke z’n vaders littenie. ‘Da zee d’n nuuwe n’òòg’eid ok al tege mijn!’ Jowanneke schrok z’n eige n‘n oedje. ‘Wa legde nou ammaal te dalleke, kul. Oeneer zou t’ie da gezeed motte n ‘ebbe g’ad tege jou?’ Jowanneke lachte z’n eige n’n kriek. ‘In m’n dròòm, netuurlek. 
Ge wit wel, ik gong mè Wana nar ’t Slikpeleis.’  Z’n vader kreeg t’r steeds meer leut in. ‘Ge zou bijna zegge, da Wana oe vanaf aar bezemsteel in oew bedje n’è gemikt! ‘ ‘Da dee z’ok!’ Vlug zee Jowanneke d’r nog achteraan. ‘In m’n dròòm.’     

Dieje n’avend lag Jowanneke n’al vroeg in z’n bedje. IJ lag nog mar net, toen t’ie wa d’oorde ritsele n’aan z’n ramke, da ’s nachs altijd ope ston. Vlug sprong t’ie uit z’n bedje. D’r lag ’n briefke n’op ’t zeil. Gauw knipte n’ie z’n lampke n’aan. Gelukkeg kon t’ie al ’n bietje leze. ’T WAS ’N BRIEFKE VAN WANA.   
‘Beste Kul. Ge mag m’n mantel ouwe. Ge ken t’m gebruike n’as ’n vliegend tepijt. Agge wul. Ge wit de weg naar ’t Slikpeleis. Wana.’   
Jowannekes artje sprong van pure n’opwinding van z’n keel nar z’n midderif en trug op z’n plek. Gauwkes dee t’ie z’n ramke wijer ope. IJ pakte de mantel en vloog ’n rondje rond z’n uis en zeilde fluks wir nar binne. Toen rolde n’ie z’n eige n’op in z’n bedje en tevreeje viel t’ie in ’n diepe slaap. Nou kon t’ie altijd nar d’n òòg’eid as de nòòd ’t òògst was.     

De vollegede morrege zat Jowanneke z’n tuisschoolwerrek te make. Deur de kerona kon t’ie nie nar ’t school. De voordeurbel rinkelde. Z’n pa gong kijke, wie t’r aan de deur ston. Jowanneke luisterde nieuwsgiereg aan de deur van de kamer en keek deur ’n kierke watter ston te gebeure. ‘Ei Steketee! Wa breng jou ier?’ Steketee trok ’n gewichteg smoelwerrek en aalde z’n pliessieboekske tevoorschijn. ‘Ge wit, ik doen ieleke n’avend m’n rondje n’om te kijke of de krabbe d’r eige aan de keronamaatregels ouwe. Toen ik 24 lengst jullie uis liep, zag ik rond jullie dak een nie nader t’omschrijve voorwerrep vliege. ’t Kwam uit ’t ramke van Jowanneke en vloog t’r ok wir trug in. ’n Joefoo, zogezeed.’ 
Mè d’n zelfvoldane blik keek t’ie Jowannekes pa aan. ‘Is Jowanneke n’aanwezeg?’ ‘Ja, mar ij mak z’n werrek voor ’t school, ij ken nie lang gestoord worre.’ Jowanneke schrok z’n eige n’t apelazeres. Wa moes t’ie nou zegge? IJ besloot de stoute schoene n’aan te trekke en stapte ‘t alleke n‘in. ‘Ei Steketee, wa d’n eer da gij ons kom opzoeke.’ Steketee groeide n’anderalleve meter en zee: ‘G’ed mijn ver’aal netuurlek al g’oord, ventje. Waddik vertel is zo vernaam da gij mè d’aan zeker’eid grenzende waarschijnlek’eid, mijn et staan afluistere.’ Jowanneke kreeg ’n klurke. 
‘Da wel Steketee, gij zijt zo belangrijk in ’t Krabbegat. Ik oorde gistere n’avend wel geritsel aan m’n ramke. Mar ik docht daddik dròòmde en zijn blijve pitte.’ Z’n vader viel t‘m bij. Want ij kende n’t gewichtege gedoe van Steketee zo zoetjes aan wel en ij wis da Jowanneke de leste tijd veul kon dròòme. ‘G’oor d’t , Steketee. Jowanneke sliep. Bedankt voor de tip en veul leut mè d’oew eige.’ Pa sloot de deur. En Steketee? IJ sting mè gròòt òòge te kijke. IJ klapte z’n boekske dicht en zee in z’n eige: ‘Kees kloost.’ 

Terug naar thuispagina of publicaties

LEESFRAGMENT ZWIEPERS EN ZEPERDS

‘Amazing,’ roept de bevallige vrouw uit en raakt met een wulpse blik licht mijn hand aan. Diezelfde hand vlucht schielijk achter mijn rug. Ik voel me overvallen. 
‘De situatie was weird en you saved me!’ Weer iemand met een Nederlandse identiteit die half Engels en half Nederlands praat. Om enige afstand te bewaren, houd ik me van de domme. 
‘Oh, zal ik Engels praten mevrouw?’ 
‘Are you mad? Ik ben een Nederlandse dame, hoor?’ 
Op haar onderlip trilt wat speeksel in kleine luchtbelletjes, wat mij enigszins opwindt. 
Bliksemsnel verman ik me en zeg toonloos: ‘Ik deed slechts mijn burgerplicht. U zag de auto niet aankomen.’ 
In een andere situatie was ik vol overtuiging met beide voeten en die zijn echt niet klein uitgevallen, in deze uitdagende valkuil gesprongen. 
Een Nederlandse taal ontkrachtende vrouw echter, gewapend met welke avances dan ook, stoot mij met nietsontziende kracht af.  Daar is geen kruid tegen gewassen. 
‘Weet je. Ik was in a hurrie. Het feestje begint over een half uur. I have to be present there!’ roept ze met een aanstellerige uithaal. 
Volgens mij zoekt ze iemand, maakt haar niet uit wie, die haar kan begeleiden op het feest. 
Gespeeld onnozel met een houding van een en al aandacht, knik ik bedachtzaam. 
‘Een Engelse thema-avond, wed ik?’ 
‘God allmighty, no! Hoe kom je daar nu bij?’ 
Met een uitgestreken gezicht voeg ik er aan toe: ‘Ik meende wat Engels in uw woordgebruik te constateren.’ Met deze formeel geformuleerde opmerking, denk ik een succesvolle strategie gevonden te hebben haar definitief op afstand te houden. 
Het tegendeel is waar. 
Ze komt dichter bij me staan en gaat verder op een bezwerende toon. 
Ik word zowat bedwelmd door een zware parfumlucht. Haar zwoele adem strijkt langs mijn wang. 
‘Ziet u, ik heb namelijk last van FOMO.’  
Ik pas mijn toon aan en herhaal zacht. ‘FOMO?’ 
‘Fear of missing out. Ik ben zo graag bij dat feestje.’ 
Vermoeid knik ik instemmend. Met grote vrees bereid ik me voor op het verzoek, dat niet uit kan blijven. 
Ongegeneerd heupwiegend kleurt ze haar stem  nog donkerder. ‘Zou jij me misschien willen begeleiden?’ 
To be honest, haar nuances laten mijn fysiek niet helemaal onberoerd. 
Vriendelijk bedank ik voor de eer en maak mij snel uit de voeten. 
Om in goed Nederlands af te sluiten: Be in harmony with yourself.    

Terug naar thuispagina of publicaties